'Shell creëert brandstof met hoogste energiedichtheid, Petronas en Mercedes op achterstand'
In dit artikel:
Vanaf het seizoen 2026 rijdt de Formule 1 op CO2-neutrale brandstoffen. Die worden gemaakt door koolstof uit afvalstromen, non-food biomassa of direct uit de lucht te halen en via chemische omzetting om te zetten in vloeibare koolwaterstoffen — of door met duurzame stroom (wind/zon) synthetische e‑fuels te produceren. Tegelijk groeit het elektrische aandeel van de power unit sterk: het elektrische vermogen (MGU‑K en batterij) wordt opgevoerd van 120 kW naar circa 350 kW, waardoor een groot deel van de aandrijving elektrisch wordt verzorgd.
Vijf olie- en brandstofleveranciers zijn in de F1 actief: Petronas (Mercedes), ExxonMobil (Red Bull/ Ford-zetels), Shell (Ferrari), Aramco (Aston Martin en Honda) en BP (Audi). Naar verluidt hebben Aramco en ExxonMobil vooral ingezet op e‑fuel, terwijl BP, Petronas en Shell meer richting biofuels werken. In geruchtenkringen zou Shell het verste zijn met de ontwikkeling van synthetische brandstoffen; Petronas zou tegen technische obstakels zijn aangelopen en minder energierijke brandstof hebben weten te realiseren.
Cruciaal wordt de energiedichtheid van de nieuwe brandstoffen: sinds 2026 geldt niet langer een maximale massa‑flow (100 kg/u), maar een limiet van 3000 MJ per uur aan energiestroom. Brandstof met hogere energiedichtheid betekent minder massa aan boord, een kleinere tank en meer vrijheid voor gunstige plaatsing, wat gewichtsspreiding, aerodynamica en race‑strategie kan verbeteren. Wie de beste mix en dichtheid levert, kan daarmee een competitief voordeel aan het team bieden — waardoor oliemaatschappijen een strategische rol krijgen in de sporttransitie naar duurzamere verbrandingsmacht.